Gevolgen van besparingen werkgelegenheid op de inschakelingsondernemingen

Minder cuts op werkgelegenheid!

Minister Laurent Hublet kondigde op 16 april 2026 een nieuw akkoord aan binnen de regering met herziening van enkele besparingen op werkgelegenheid.

Concreet betekent dit dat de inspanningen van 40 Miljoen euro worden gereduceerd tot 28 miljoen euro in 2026.  

Geen budgetcuts lineair van 7,5 % op de partnerschappen en meer bepaald niet op de missions locales (en werkwinkels…).

Voor de geco’s wordt artikel 20 niet wordt afgeschaft, en er is geen uniformisering van de lineaire besparing tot 95% van de gecopremies.

Behoud van de indexatie voor de geco’s in 2026 !

Er zou een alternatief komen voor Activa.

De oorspronkelijke besparingsdoelstellingen werkgelegenheid (begrotingsbeslissing 27 maart 2026 ) bedroegen 40 miljoen euro in 2026 met een meerjarige stijgend traject en bijsturingen die gepland waren tijdens de begrotingscontrole.

Deze inspanning werd verdeeld over: Het Activa‑stelsel (15 miljoen euro) en de partnerschappen en subsidies (25 miljoen euro). Oplopende besparingen waren 40 miljoen in 2026, 55 in 2027, 65 in 2028 en 75 miljoen euro in 2029

Jongeren blijven in de kou staan.

Actiris zette de startbanen stop begin april. Zo’n contracten voor jongeren zaten ook bij de inschakelingsondernemingen. CyCLO kreeg bijvoorbeeld een opzegbrief voor twee contracten. Navraag bij Actiris leerde dat men in totaal 62 startbaanovereenkomsten uitfaseert: 20 daarvan bij vzw’s, 17 bij Brusselse instellingen, 25 bij gemeenten en OCMW’s. (Bruzz, 13 april 2026). Deels zou die eerste werkervaring nu behouden blijven in 2026. De bijsturing is helaas niet algemeen!

Beslissingen zonder inschatting van effecten blijken vaak misrekeningen.

FeBISP en FeBIO vroegen begin april een impactanalyse. Dat blijft een verstandige oefening. Ook andere federaties en koepels uitten hun bezorgdheid. Bruxeo luidde de alarmbel over de geco’s. Ook bij onze koepels Cessoc en Sociare.. en bij de partners weerklonken kritische geluiden over de gang van zaken.

Er blijft een enorme impact op de gebruikers en de werknemers én men dreigt de verplichtingen als werkgevers niet meer na te kunnen komen. De Brusselse regering nam op 27 maart 2026 besparingsmaatregelen en andere beleidsbeslissingen die ingang vinden in 2026. Dit laat geen ruimte voor een zorgvuldige overgang en zet sociale inschakelingsondernemingen voor voldongen feiten. Men veegt de vloer aan met het principe van goed bestuur. Transities tussen oude en nieuwe beleidskaders moeten haalbaar zijn. Dit staat haaks op de nood aan stabiliteit en vooruitziendheid in een economisch en politiek onzeker klimaat.

Daarnaast gaan competenties en expertise verloren en worden opleidingstrajecten abrupt afgebroken

Strategische bijsturing is positief

De bijsturingen van de Brusselse regering midden april zijn positief maar blijven onvoldoende om de doelstellingen van het objectief van de tewerkstellingsgraad van 70% te behalen in Brussel. Men maakt verder komaf met de basisbeginselen van een solidaire samenleving. Vooral de 42.000 uitgeslotenen van de werkloosheid in Brussel moeten het maar uitzweten. Donderwolken van een sociale crisis stapelen zich op.

Het Brussels gewest is rijk en zorgt voor overschotten. De studie « Flux et déséquilibres régionaux enBelgique » Nationale Bank) : is duidelijk. “Algemene conclusie: Brussel en Vlaanderen genereren voldoende inkomsten om hun uitgaven te dekken; Wallonië kampt met een structureel tekort.”

Problematische structurele onderfinanciering van werkgelegenheid.

Deels is dit een gevolg van de zesde staatshervorming. De enveloppes voor Brussel werden door overhevelingsmechanismen van federaal naar de regio’s eerder kleiner. Artikel 60 heeft een link in de berekeningen met de personenbelasting van Brussel, de geco’s met de ‘trekkingsrechten’ (berekend bij de inkomsten van de begroting BHG zijn het bedrag van de uitkering van werkloosheid gespaard bij tewerkstelling). Dat was gelinkt aan de toenmalige werkloosheidspercentages voor Brussel die veel lager waren.

Geco’s waren initieel bedoeld als tewerkstellingsmaatregel voor de meest kwetsbaren (kwalificaties bijbrengen), maar dienden in Brussel steeds vaker om het tekort aan middelen van de gemeenschappen in domeinen waarvoor zij bevoegd zijn op te vangen.

Voor de RSZ, RVA, (doelgroepkortingen) kwamen de middelen nadien meer uit één bron (Actiris). Activering werd een meer autonome keuze. Men kon middelen flexibeler inzetten. De hervorming door de beperking van de werkloosheid in de tijd, met verschuiving van lasten naar de lokale gemeentelijke niveau en OCMW’s) is vandaag opnieuw zeer nadelig voor Brussel.

Ontwrichtende impact van nIet-indexering van subsidies voor vzw’s.

Na 27 maart 2026 en begin april raakten de begrotingsbeslissingen met onder meer niet-indexering tijdens de legislatuur voor Artikel 60, SOCECO’s, geco’s, CPE…In de begrotingstabel werkgelegenheid stond 1,8 miljoen besparing voor 2026 op niet-indexering van de programma’s werk en voor een volledig jaar een besparing van 13,2 miljoen euro ingeschreven. Voor de geco’s komt men daar voor 2026 nu op terug.

Uit een rondvraag in februari 2026 bij onze leden kwamen effecten van niet-indexering naar voor (vooral toen VGC). Reacties:

  • Ontslagrondes, sluiten van uitbatingen, prijsstijgingen…12,6% afhankelijk VGC
  • Geen specifieke acties, maar we zijn spaarzaam. 3,4% afhankelijk VGC
  • Onduidelijk. Wij vroegen een gesprek met VGC en het kabinet. 21% afhankelijk VGC
  • Aangezien we een gemeenschapscentrum zijn, is onze verhouding met de VGC anders dan andere SDO’s. Een deel van ons personeel komt rechtstreeks van de VGC en een deel is in loondienst bij de vzw. De VGC is ook eigenaar van ons gebouw en betaalt bijvoorbeeld onze energiekosten. Onze budgetten komende van de VGC dienen voornamelijk als werkingsbudgetten en worden weinig gebruikt om loonkosten mee te betalen. Deze subsidiesbedragen blijven vrijwel gelijk en worden weinig geïndexeerd over de jaren heen. Dit betekent concreet dat we minder geld hebben voor onze inhoudelijke werking (activiteiten zoals concerten of aanschaf van materialen). Hierdoor schaalt onze werking jaar na jaar wat terug. 12,5% afhankelijk VGC
  • Grote onzekerheid: De indexering van lonen is pas in februari 2026, de premies zijn net ontvangen maar de documenten nog niet, dus dit weten we nog niet. De GECO-premies zijn op basis van ingezonden loondocumenten, we ontvangen de premie van januari altijd eind februari, als we de loonfiches tijdig opsturen. Geen VGC subsidies.
  • Maatregelen voor personeel werden al gestart in 2025 en zijn verder te zetten in 2026.
    • personeel dat vertrekt/langdurig afwezig is, niet (of niet helemaal) vervangen
    • oproep aan personeel om arbeidsduur te verminderen (met ouderschapsverlof, tijdskrediet of vermindering)
    • personeels”voordelen” zo veel mogelijk beperken (vb. besparen op vormingskosten, vergaderkosten, zaken zoals koffie,…). Gevolgen:werkdruk verhoogt voor personeel.
    • aanbod naar publiek vermindert
    • minder vlotte communicatie naar externen, minder evidente deelname aan netwerkmomenten, vergaderingen, projecten met partners
    • minder stageplekken voor studenten. 50 % afhankelijk VGC
  • Voor het personeel: Na het vertrek van een medewerker gaf men prioriteit aan de aanwerving van een jongere collega, om de loonkosten te verlagen terwijl de essentiële activiteiten behouden blijven. Voor de begunstigden: We zoeken naar alternatieve financiering (partnerschappen, sponsors, eenmalige subsidies) om de kwaliteit van de dienstverlening te behouden, ondanks het verschil tussen de indexering en de stijging van de kosten. 13,49 afhankelijk VGC.

Ongelijke behandeling middenveld

Brusselse organisaties die rond socio-professionele inschakeling werken zijn afhankelijk van een lappendeken aan overheden.

COCOF indexeert structureel voor de non-profit. COCOM indexeert voor bepaalde sectoren zoals rusthuizen (en verzorgingstehuizen), revalidatiecentra en palliatieve zorg. VGC indexeert de subsidies niet structureel. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft intenties en neemt beslissingen om dat alsmaar minder te doen. Er is immers een stop aangekondigd en voorzien op de indexering van tewerkstellingsmaatregelen zoals SOCECO, en Artikel 60.

Vzw’s bijvoorbeeld in sociale economie (die transversaal is) met activiteiten die zich op een kruispunt tussen verschillende bevoegdheden die met werkgelegenheid en opleiding of welzijn, cultuur… te maken hebben, krijgen zo een alsmaar minder gelijk speelveld. In het Brussels sociaal overleg zien we al langer dat Nederlandstaligen vaker buiten de prijzen vallen (daar kreeg men bijvoorbeeld geen mobiliteitsvergoeding).